081. BIJBELSTUDIE OVER DE

HERLEVING DER DODEN - TECHIAT HAMETIM

,ytmh tyxt

 

 

Zowel het christendom alsook het Messiasbelijdend jodendom wortelen beiden in twee fundamentele gebeurtenissen: de kruisdood en de opstanding van Yeshua haMashiach. Zijn kruisiging is een historische gebeurtenis, die naast de Bijbel ook door niet-christelijke bronnen wordt bevestigt. Bij de hmvqt T’quma [opstanding] van Yeshua bestaat er echter een verschil van benadering. Voor de niet-joodse christenen was de opstanding uit de dood het grootste wonder dat er maar bestaat. Zij was dus het bewijs bij uitstek voor de g’ddelijkheid van Yeshua. Een gewoon mens is immers niet in staat om de dood te overwinnen, en zo is het geloof in “de opstanding van Jezus Christus” tot de hoeksteen van het christendom geworden.

 

Joodse geloofservaring

 

Voor de Joodse gelovigen daarentegen was niet Zijn opstanding, maar de letterlijke vervulling van de talrijke profetieën uit TeNaCH aangaande de Mashiach [Messias] in de persoon van Yeshua het bewijs van Zijn g’ddelijkheid. Zijn opstanding was voor de Joden in tegenstelling tot de niet-joden niet echt een wereldschokkende gebeurtenis. Integendeel! Het Jodendom kende individuele gevallen van opstanding reeds lang vóór die tijd en bovendien maakte ,ytmh tyxt Techiat haMetim [de herleving der doden] reeds toen al deel uit van het Joodse geloof. Sterker nog: de opstanding van Yeshua kan uitsluitend vanuit Joodse bronnen worden aangetoond! Per slot van rekening is Hij volgens het Evangelie na Zijn verrijzenis uit het graf uitsluitend aan Joden verschenen, wat ook Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] later bevestigde: “Want voor alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: De Mashiach is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen aan Keifa [Petrus], daarna aan de twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Ya’aqov [Jacobus] en daarna aan al de Sh’lichim [apostelen]; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene.” (1 Korinthiërs 15:3-8). En dan had hij het nog niet eens over de vrouwen, aan wie Yeshua verschenen is, en de Emmaüsgangers. Dat de opstanding van Yeshua vóór alles en in hoofdzaak een puur Joodse geloofservaring was, blijkt uit het felle pleidooi van Sha’ul tegenover de gelovigen in Korinthe, die dit maar niet konden bevatten: “Indien nu van de Mashiach gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is? Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook de Mashiach niet opgewekt. En indien de Mashiach niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. Dan blijken wij ook valse getuigen van G’d te zijn, want dan hebben wij tegen G’d in getuigd, dat Hij de de Mashiach opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden. Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is de Mashiach ook niet opgewekt; en indien de Mashiach niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in de Mashiach ontslapen zijn, verloren. Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar nu, de Mashiach is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in de Mashiach allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: de Mashiach als eersteling, vervolgens die van de Mashiach zijn bij zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan G’d de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen.” (1 Korinthiërs 15:12-27). Sha’ul zegt hier dus tegen de niet alleen Grieks sprekende maar helaas vaak ook nog Grieks denkende Korinthiërs, dat hun geloof zonder inhoud is als zij de opstanding niet kunnen of willen geloven en aanvaarden. Binnen het Jodendom werd aan het geloof in de opstanding zelfs zoveel waarde gehecht, dat van degenen, die het loochenden gezegd werd, dat ze buiten het heil stonden. Een uitspraak uit de Mishna vormt nog steeds het uitgangspunt van deze beschouwing en bezit dus een canonieke status: “Maar dezen hebben geen deel aan abh ,lvi Olam Haba [de toekomstige wereld]: hij die niet gelooft dat de ,ytmh tyxt Techiat haMetim [herleving der doden] reeds in de hrvt Tora wordt verkondigd; hij die loochent dat de gehele Tora door de Eeuwige geopenbaard is, en de afvallige.” (Sanhedrin 10:1). Deze tekst uit de Mishna heeft door de eeuwen heen geleid tot uitstoting en het uitspreken van de banvloek. Wie niet in de opstanding geloofde, werd eenvoudig niet meer als Jood beschouwt. Dit verklaart dus ook de ons bekende vijandige houding van de ,y>vrp P’rushim [Farizeeën] tegenover de ,yqvdj Tzaduqim [Sadduceeën], die wij regelmatig in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] tegenkomen, en die ook Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] gebruikte, om de P’rushim zonder moeite tegen de Tzaduqim te kunnen uitspelen, toen hij zich in [Jeruzalem] voor de Hoge Raad moest verdedigen: “En daar Sha’ul [Paulus] wist, dat het ene deel behoorde tot de Tzaduqim en het andere tot de P’rushim, riep hij in de Raad: Mannen broeders, ik ben een Parush, een zoon van P’rushim, ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden. En toen hij dit zeide, kwam er tweedracht tussen de P’rushim en de Tzaduqim en de menigte werd verdeeld. Want de Tzaduqim zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de P’rushim belijden zowel het een als het ander. En er ontstond groot geschreeuw, en sommige van de ,yrpvc Soferim [schriftgeleerden] van de groep der P’rushim stonden op en streden heftig en zeiden: Wij vinden generlei kwaad in deze mens!” (,yxyl>h y>im Ma’asei haSh’lichim [Handelingen] 23:6-9). Ook Yeshua werd uiteraard geconfronteerd met de Tzaduqim, die Hem met een strikvraag probeerden in moeilijkheden te brengen: “En er kwamen Tzaduqim tot Hem, die beweren, dat er geen opstanding is, en zij ondervroegen Hem en zeiden: Rabbi, Moshe [Mozes] heeft ons voorgeschreven, indien iemands broeder sterft en een vrouw nalaat, doch geen kind achterlaat, dat dan zijn broeder de vrouw moet nemen en voor zijn broeder nakomelingschap verwekken. Nu waren er zeven broeders. En de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nakomelingschap achter. En de tweede nam haar en stierf zonder nakomelingschap na te laten. En de derde evenzo. En geen van die zeven liet nakomelingschap achter. Het laatst van allen stierf ook de vrouw. In de opstanding, wanneer zij opstaan, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar tot vrouw gehad. Yeshua sprak tot hen: Dwaalt gij niet daarom, dat gij de Schriften niet kent noch de kracht G’ds? Want wanneer zij uit de doden opstaan, huwen zij niet, en worden zij niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemelen. Wat nu de doden betreft, dat zij opgewekt worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Moshe, bij de braamstruik, hoe G’d tot hem sprak, zeggende: Ik ben de G’d van Avraham [Abraham] en de G’d van Yitz’chaq [Isaak] en de G’d van Ya’aqov [Jakob]? Hij is niet een G’d van doden, maar van levenden. Gij dwaalt wel zeer.” [Marcus 12:18-27; vgl. Mt. 22:23-33 en Lc. 20:27-40].

 

Leeft Avraham?

 

Vooral de voorlaatste zin van dit hoofdstuk is zeer interessant. Yeshua zegt hier duidelijk, dat Avraham, Yitz’chaq en Ya’aqov niet tot de doden gerekend mogen worden, want de Eeuwige is geen G’d van doden, maar van levenden. Wat Avraham betreft, vinden we het bewijs reeds in ty>arb B’reshit - Genesis 17:7-8, waarin de Eeuwige tot Avram spreekt: “Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een G’d te zijn. Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land ]ink K’na’an [Kanaän], tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een G’d zijn.” In deze belofte van haShem aan Avram kunnen we twee belangrijke punten opmerken: In de eerste plaats zegt de Eeuwige: “...aan u en uw nageslacht” en in de tweede plaats zegt Hij: “...het ganse land K’na’an, tot een altoosdurende bezitting.” Beide beloftes zijn nog steeds niet vervuld. Ten eerste was het enige stukje land, dat Avraham tot nu toe heeft bezeten maar net groot genoeg om er begraven te worden: “En Avraham gaf de geest en stierf in hoge ouderdom, oud en van het leven verzadigd, en hij werd vergaderd tot zijn voorgeslacht. En zijn zonen Yitz’chaq [Isaäk] en Yish’ma’el [Ismaël] begroeven hem in hlpkmh trim M’arat haMach’pela [de spelonk van Makpela], in het veld van Ef’ron Ben-Tzochar haChiti [Efron, de zoon van de Hethiet Sochar], dat tegenover Mam’re gelegen is, het veld, dat Avraham van de B’nei-Chet [Hethieten] had gekocht; daar werd Avraham begraven, evenals zijn vrouw Sara.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 25:8-10). Ten tweede heeft de Eeuwige beloofd, dat het hele land totaal en blijvend in bezit van Avraham en zijn nageslacht zal zijn. Ook deze belofte is niet vervuld zolang het land maar gedeeltelijk en tijdelijk in bezit is, wat tot nu toe het geval is. Sinds 1948 klampt Medinat Yisra’el [de staat Israël] zich onder bedreiging en tegenstand vast aan een gebied dat slechts een klein gedeelte is van het totale bezit dat de Eeuwige beloofd heeft, en dan nog maar te zwijgen over het feit dat de vorige en huidige Israëlische regering zelfs land weggeeft in ruil voor een vrede die toch nooit zal komen buiten Yeshua om. Zelfs al zou Israël in de komende jaren op de één of andere wijze wel het héle land dat de Eeuwige beloofd heeft, onder beheer krijgen, dan nog zou de belofte niet helemaal vervuld zijn, want G’d zei duidelijk tegen Avram: “...aan u en uw nageslacht.” Deze belofte kan dus niet zonder de opstanding vervuld worden. hlpkmh trim Ma’arat haMach’pela [de spelonk van Makpela] moet derhalve eerst zijn doden teruggeven. Avraham moet opgewekt worden, want als er geen opstanding zou zijn, zoals de Tzaduqim beweerden, zou G’ds belofte aan Avraham nooit vervuld worden. Zo zien we, dat hier dus eigenlijk een dubbele belofte is gegeven: de belofte aangaande het altoosdurende bezit van het land sluit tegelijkertijd de belofte aangaande de opstanding in. Dit is duidelijk één van de Torateksten, die de eerder aangehaalde Mishna bedoeld [Sanhedrin 11:1]. De twistvraag omtrent het zwagerhuwelijk, die de Tzaduqim aan Yeshua stelden, komen we overigens ook in de Talmud tegen. Zo wordt er bijvoorbeeld een geval beschreven, waarbij één van 13 broers via het zwagerhuwelijk de twaalf vrouwen van zijn gestorven broers getrouwd zou hebben (Seder Nashim, traktaat Yebamot 4:6b). De bedoeling hiervan was natuurlijk om het opstandingsgeloof belachelijk te maken en is typerend voor de manier waarop de Tzaduqim de spot dreven met de geloofsbeleving van de P’rushim. Met het boven aangehaalde antwoord slaagde Yeshua er echter in, de Tzaduqim tot zwijgen te brengen: “Toen de P’rushim gehoord hadden, dat Hij de Tzaduqim tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen” (vhyttm Matityahu [Mathéüs] 22:34a).

 

Techiat haMetim - Herleving der doden

 

Het geloof in de Opstanding was op dat moment al ruim tweeduizend jaar lang gemeengoed binnen het Jodendom en groeide spoedig bij alle gelovige Joden uit tot een volkomen heilszekerheid. Driemaal per dag bidt tot op heden iedere vrome Jood, al dan niet Messiasbelijdend, in de hr>i=hnvm> Sh’mone-Ez’re [het Achttiengebed], het oorspronkelijk uit 18 B’rachot bestaande hoofdgebed: “U zorgt met liefde voor de levenden, brengt met grote barmhartigheid doden weer tot leven, steunt die vallen, geneest zieken, bevrijdt gevangenen en houdt de belofte van trouw aan hen die in het stof slapen. Wie is als U, Heer over de krachten, wie is U gelijk, Koning die laat sterven en weer tot leven brengt en die hulp als een bloem laat opkomen”. Tussen Rosh haShana en Yom Kipur voegt men hier aan toe: “Wie is als U, Vader, die met barmhartigheid Zijn schepselen met leven bedenkt. U bent trouw - aan Uw belofte - doden weer tot leven te brengen. Geprezen zijt Gij, Eeuwige, die de doden weer tot leven brengt”. (Sidur pag. 43, 44, 133, 259 en 277). In de 13 geloofspunten, de belangrijkste grondslagen van de Joodse g’dsdienst, zoals die geformeerd zijn door de grote codificator en g’dsdienstfilosoof Moshe Ben Maimon, ook Maimonides of Rabbi Rambam genaamd (1135-1204), vinden we onder punt 13 de belijdenis: “Ik geloof er volledig aan, dat er een herleving der doden zal zijn op een tijd dat de Schepper, wiens Naam geprezen is en wiens faam zo hoog is en voor altijd verheven is, het wil”. Rabbi Yosef Ra’abetz, een slachtoffer van de Jodenverdrijving uit Spanje, schreef omstreeks 1495: “De christenen geloven net als wij in de schepping van de aarde, de aartsvader, de openbaring, de vergelding en de opstanding der doden. Gezegend zij de Eeuwige, de G’d van Israël, die maakte dat ons deze dingen zijn gebleven... want als die christelijke naties er niet waren, dan had ons geloof - wat G’d verhoede - aan het wankelen kunnen raken...” Evenals de kruisdood van onze Mashiach als historische gebeurtenis niet ontkend kan worden, twijfelt geen enkele Jood, die zijn eigen religie serieus neemt, aan de  opstanding van Yeshua. Rabbijn Samuel Sandmehl ziet in het geloof in de opstanding een bevestiging voor het feit dat Yeshua uniek was: “Slechts van een Jood, uitzonderlijk in Zijn unieke combinatie van eigenschappen, konden andere Joden geloven dat Hem een bijzondere opstanding deelachtig was geworden”. (A Jewish Understanding of the New Testament, Cincinnati 1957). Rabbijn Leo Beck zag in de opstanding van Yeshua een integraal bestanddeel van diens Joodse ambiance en schreef in 1938: “Voor ons staat een Man, wiens discipelen uit Zijn eigen volk afkomstig zijn: zij zochten de Mashiach, de Zoon van David, de Beloofde en in Hem vonden zij die voorgoed, en daaraan hielden zij vast. Hier in Israël heeft Hij Zijn volgelingen onder de ban van Zijn persoonlijkheid gebracht, wier geloof in Hem uitging boven Zijn dood, zodat hun bestaan werd bepaald door de zekerheid dat Hij - zoals de profeet had voorzegd - ten derden dage van de doden was opgestaan”. J. Carmel, een bekende Israëlische docent en schrijver, heeft ooit geschreven: “Als de profeet Elia in een vurige wagen ten hemel is gevaren, waarom zou Yeshua dan niet opstaan en ten hemel varen?” Als wij er dus van uitgaan dat de gelovige Joden (let wel: de hierboven geciteerde personen zijn wel gelovige, maar géén Messiasbelijdende Joden!!!) zonder meer de opstanding van Yeshua als integraal onderdeel van hun eigen geloof en dus als wáár beschouwen, dan rijst bij het lezen van vhyttm Matityahu [Matthéüs] 28:11-15 de vraag, waarom de Hoge Raad liegt over de opstanding van Yeshua: “Toen zij onderweg waren, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad om de overpriesters al het gebeurde te berichten. En in een vergadering met de oudsten kwamen zij tot een besluit en zij gaven de soldaten veel geld, en zij zeiden: Zegt, Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen. En indien dit de stadhouder ter ore komt, wij zullen het in orde brengen en maken, dat gij buiten moeite blijft. En zij namen het geld aan en deden zoals hun gezegd was. En dit gerucht is onder de Joden verbreid tot de dag van heden toe.” Waarom heeft het Sanhedrin er zo veel geld voor over om de opstanding van Yeshua geheim te houden? Waarom mag het volk het niet weten? Wat is het verschil tussen de opstanding van Yeshua en de opstanding van àlle mensen, waarin de P’rushim geloofden? Het antwoord op die vragen geven zij zelf in vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:62-66: “De volgende dag, dat is na de Voorbereiding, kwamen de Kohanim haG’dolim [overpriesters] en de P’rushim [Farizeeën] gezamenlijk tot Pilatus, en zij zeiden: Heer, wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft: Na drie dagen word Ik opgewekt. Geef daarom bevel het graf te verzekeren tot de derde dag; anders konden zijn discipelen Hem komen stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden, en de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste. Pilatus zeide tot hen: Hier hebt gij een wacht, gaat heen en verzekert het naar uw beste weten. Zij gingen heen en verzekerden het graf met de wacht, na de steen verzegeld te hebben”. Dàt was dus het verschil: in tegenstelling tot alle andere opgewekten kon Yeshua reeds van te voren het exacte tijdstip van Zijn opstanding uit het graf noemen: “Van toen aan begon Yeshua haMashiach zijn Talmidim [discipelen] te tonen, dat Hij naar Yerushalayim [Jeruzalem] moest gaan en veel lijden van de zijde der oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en ten derden dage opgewekt worden.” (Mt. 16:21) - “Terwijl zij samen in haGalil [Galilea] verkeerden, zeide Yeshua tot hen: Ben haAdam [de Zoon des mensen] zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem ter dood brengen en ten derden dage zal Hij opgewekt worden.” (Mt. 17:23) - “En zij zullen Hem overleveren aan de ,yvg Goyim [heidenen] om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden.” (Mt. 20:19). Deze drievoudige aankondiging maakt Zijn opstanding zo anders! Het laat zien, dat Hijzelf anders is! Het laat zien dat Hij de langverwachte Mashiach is!

 

De na Yeshua opgewekte heiligen

 

In vhyttml r>a hrv>bh haB’sora asher l’Matit’yahu [het Evangelie naar Matthéüs] lezen wij overigens, dat er vlak na de opstanding van Yeshua nog een tweede opstanding volgde: “En zie, het voorhangsel van de Tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na Zijn opstanding en kwamen in de heilige stad waar zij aan velen verschenen.” (Mt. 27:51-53). Ook deze tekst roept enkele vragen op:

1)   Wie waren de ontslapen heiligen, die uit hun graven opstonden. En is het woord ‘heiligen’ wel een goede vertaling? Moet het niet ‘rechtvaardigen’ zijn? Worden hier misschien alle rechtvaardige gelovigen uit TeNaCH [het Oude Testament] bedoeld?

2)   Was dan ook David haMelech [Koning David], de directe voorvader van Yeshua één van de opgewekte heiligen?

3)   Was er een verschil tussen de opgewekte heiligen en de door Yeshua opgewekte doden zoals het dochtertje van Ya’ir [Jaïrus] en L’azar [Lazarus]?

4)   Wat gebeurde er daarná met de opgestane heiligen? Waar zijn ze nú?

 

De Bijbel - G’ds Woord - geeft ons antwoord op al onze vragen, maar alleen als wij de teksten zorgvuldig lezen, op details letten en teksten met elkaar vergelijken:

1.    Wie de opgestane heiligen waren, weten we niet, in elk geval waren het niet àl de rechtvaardige gelovigen uit TeNaCH, want Matityahu schrijft duidelijk: “Vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt”. Velen - maar niet allen! Voor de vraag of er in de grondtekst inderdaad het woord ‘heiligen’ staat of veeleer ‘rechtvaardigen’, zullen we zowel de Griekse alsook de Hebreeuwse versie van deze tekst moeten raadplegen: kai idou to katapetasma tou naou escisqh eiV duo apo anwqen ewj katw kai h gh eseisqh kai ai petrai escisqhsanà kai ta mnhmeia anewcqhsan kai polla swmata twn kekoimhmenwn agiwn hgerqhÅ kai exelqontej ek twn mnhmeiwn meta thn egersin autou eishlqon eij thn agian polin kai enefanisqhsan polloij. - In vers 52 vinden we inderdaad het Griekse woord voor ‘heiligen’: agiwn hagios! En nu kijken we in de Hebreeuwse versie van deze tekst:

,yrvjv h>ir /ra huml hlimlm ,yirq ,yn>l hirqn lkyhh tkrp hnhv

.hmh ,yn>y /rab r>a ,y>vdqh tvmjim ,ybr vjyqyv vxtpn ,yirqv .viqbth

Ook hier vinden we in vers 52 het woord ,y>vdq Q’doshim, hetgeen ‘heiligen’ betekend.

2)  David haMelech [koning David] was er in

elk geval niet bij, want Keifa haShaliach (de apostel Petrus) zegt 50 dagen later in y>im Ma’asei [Handelingen] 2:29 tijdens Shavuot [Pinksteren]: “Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.”

3)  Er was een groot verschil tussen de in bovenstaande tekst genoemde opgestane heiligen, die voor altijd uit de heerschappij van de dood en het graf zijn opgestaan en de mensen, die Yeshua tijdens Zijn bediening op aarde evenals Eliyahu [Elia] en Elisha [Elisa] uit de doden heeft opgewekt. Dezen waren namelijk slechts tijdelijk teruggeroepen tot het zelfde natuurlijke aardse leven dat ze voorheen leefden en zijn na verloop van tijd opnieuw gestorven en begraven. De heiligen daarentegen, die samen met of beter gezegd kort na Yeshua zijn opgestaan, hadden deel aan Zijn opstanding. Zij gingen een geheel nieuw leven binnen en ontvingen nieuwe, verheerlijkte lichamen, gelijk aan het lichaam dat Yeshua zelf ontvangen had. In vers 53 lezen wij immers, dat zij toen in de heilige stad Yerushalayim aan velen verschenen. Ze waren niet langer onderworpen aan de natuurlijke beperkingen van een gewoon, fysiek lichaam. Tussen haakjes: uit vers 53 kunnen we tevens concluderen, dat zij hoogstwaarschijnlijk geen oudtestamentische gelovigen van eeuwen geleden waren, maar mensen die recentelijk overleden waren, want zij zullen ongetwijfeld aan mensen verschenen zijn, die ze kenden. Zij zijn dus met hun opstandinglichamen beslist niet meer in hun graven teruggekeerd om daar opnieuw aan de ontbinding te worden overgegeven, want zij waren immers al verheerlijkt. En daarmee komen we bij de laatste vraag: Als ze niet meer opnieuw gestorven zijn en dus het eeuwige leven in hun nieuwe opstandingslichamen hebben ontvangen, waar zijn ze dan nú? Wat werd er van hen ná hun opstanding? Lopen ze nu nog steeds tussen ons rond zonder dat wij er erg in hebben?

 

Een wolk van getuigen

 

In y>im Ma’asei [Handelingen] 1:9 vinden we in de beschrijving van de hemelvaart een belangrijke aanwijzing: “En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk (]ni Anan) onttrok Hem aan hun ogen”. Het is dus duidelijk dat deze heiligen, die in de opstanding van Yeshua deelden, ook in Zijn hemelvaart deelden! Maar is dit ècht wel zo duidelijk? Waar staat dat dan? In het stukje dat we zojuist hebben gelezen! Een wolk onttrok Hem aan hun ogen. Wat voor een wolk? Daarvoor moeten we ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 12:1 raadplegen: “Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen (,ydi ]ni Anan Edim) rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt”. Wat is dit voor een ‘wolk van getuigen’ waarover de schrijver van de Hebreeënbrief hier spreekt? Het tekstverband maakt duidelijk dat de schrijver hier doelt op de verschillende oudtestamentische heiligen, wiens geloofsdaden hij beschreven heeft in het voorafgaande hoofdstuk. Deze lang geleden gestorven heiligen worden ons hier dus getekend als een wolk van getuigen die iedere gelovige omringt die in dit leven de wedloop van het geloof gaat lopen. Zo zien we dat het beeld van de wolk hier wordt verbonden met de geloofsgetuigen uit TeNaCH. Een logische gevolgtrekking is derhalve dat Yeshua op de dag van Zijn hemelvaart werd omringt door een wolk van getuigen (,ydi ]ni Anan Edim): de heiligen, die met Hem waren opgewekt! Vandaar dat we dus lezen: “...en een wolk (]ni Anan) onttrok Hem aan hun ogen”. We weten ook dat er een grote overeenkomst is tussen de hemelvaart van Yeshua en Zijn wederkomst:: “Deze Yeshua, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.” (y>im Ma’asei [Handelingen] 1:11). Het zal ons derhalve ook niet verbazen, dat we in dit verband eveneens het woord wolken (,ynni Ananim) tegen komen: “En Yeshua zeide: Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels (,ym>h ynni=,i im-Ananei haShamayim).” Let wel: het woordje ,i im’ betekent ‘samen met’, dus Yeshua zegt hier in Marcus 14:62 niet dat Hij in of op de wolken komt, maar met de wolken! Dat blijkt overigens ook uit laynd Dani’el [Daniël] 7:13, waar wij lezen: “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels. (aym> ynni=,i im-Ananei Sh’maya) kwam iemand gelijk een mensenzoon.” Alweer hetzelfde ,i im: samen met, niet in of op! Maar waarom zegt Yeshua dat Hij samen met de wolken des hemels komt? Omdat de wolken des hemels de heiligen zijn, die zich nu in de hemel bevinden. In hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 14:5 wordt dit verduidelijkt: “En de Eeuwige, mijn G’d, zal komen, alle heiligen met Hem (;mi ,>dq=lk Kol-Qadoshim im’cha)”. Ook in de ]nxvy ]vzx Chazon Yochanan [Openbaring van Johannes] 1:7 lezen we: “Zie, Hij komt met de wolken (,ynnih=,i im-haAnanim) en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen.” Zo vervullen opstanding en hemelvaart van Yeshua omringt door Zijn heiligen op uiterst nauwkeurige en volkomen wijze alles wat zowel TeNaCH alsook B’rit haChadasha hierover hebben voorzegd, en het zou ook precies gelijk zijn aan de wijze waarop Zijn beloofde wederkomst zich zal voltrekken: “Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Yeshua gestorven en opgestaan is, zal G’d ook zo hen, die ontslapen zijn, door Yeshua wederbrengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst van Adonai, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Eeuwige zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank van een Shofar [ramshoorn] G’ds, nederdalen van de hemel, en zij, die in de Mashiach gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Eeuwige tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Eeuwige wezen. Vermaant elkander dus met deze woorden. Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag van Adonai zo komt, als een dief in de nacht.” (1 Thessalonicenzen 4:13-18) - “En Hij, de G’d des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Heer Yeshua haMashiach blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven.” (1 Thessalonicenzen 5:23). Amen!

 

Werner Stauder